De urgentie werd deze week nogmaals duidelijk. Toen werd bekend dat Meta en Microsoft namen van Nederlandse burgers doorgeven aan de Amerikaanse overheid ten behoeve van een zwarte lijst van kritische ambtenaren en wetenschappers die een sta-in-de-weg vormen voor de invloed en expansie van Amerikaanse Big Tech in de EU.

Zelfs in onze sterk gepolariseerde samenleving zijn veruit de meeste mensen het erover eens dat deze overname niet door mag gaan. Een overweldigende meerderheid in de Kamer is tegen de overname.

Op dit moment is het Bureau Toetsing Investeringen (BTI), dat onder het ministerie van Economische Zaken valt, bezig met de beoordeling van een melding die door Kyndryl is gedaan op grond van de Telecommunicatiewet. Het werk van BTI valt voor een nieuwsgierige buitenstaander niet te controleren. Het toetsingsbureau publiceert geen informatie over de ondernemingen die ze aan een onderzoek onderwerpt. Zelfs de namen van de bedrijven worden door BTI niet bekendgemaakt. Burgers kunnen geen kennisnemen van de toetsingsbesluiten, laat staan dat ze iets over de inhoud te weten kunnen komen. Wie tegen een besluit verweer wil aantekenen, heeft een kolossale kennisachterstand.

Speelbal van Trump

Dat is volgens de groep eisers – Esther van Egerschot, Maxim Februari, Felienne Hermans, Bert Hubert, Joris Luyendijk, Caroline Nevejan, Reijer Passchier, Jelle Postma, Sander Schimmelpenninck, Marleen Stikker, de stichting Privacy First, de stichting Firewall en ikzelf – onaanvaardbaar. Digid gaat ons allemaal aan, net als de andere overheidsdiensten die door het bedrijf Solvinity worden bediend. We maken allemaal gebruik van Digid en kunnen geen kant op, want er is geen alternatief.

Onze advocaten Roland Mans en Matthijs Kaaks correspondeerden de afgelopen maanden menigmaal met BTI. Uit die correspondentie bleek telkens dat de minister op vertraging uit is en geen enkele vorm van inspraak toelaat. ‘De beoordeling van het grote publieke belang dat is gemoeid met deze zaak, past niet in een achterkamertje van het ministerie van Economische Zaken,’ betoogde Kaaks afgelopen maandag in het eerste deel van ons pleidooi. Daarin schetste hij het scenario waarin de burgerrechten van Nederlanders de speelbal kunnen worden van de regering-Trump.

In een kleine rechtszaal op de vierde verdieping van de Rotterdamse rechtbank werd dat enorme vraagstuk in het tweede deel van ons pleidooi teruggebracht tot de droge werkelijkheid van het bestuursrecht. Hoewel het voor iedereen logisch lijkt dat Nederlandse burgers in deze zaak belanghebbenden zijn, stelt de wet eisen aan die belanghebbendheid. Onze groep eisers hebben allemaal onderscheidende belangen, die ze als opiniemaker, wetenschapper of onderzoeker behartigen.

Advocaat Roland Mans betoogde dat verschillende leden van onze groep eisers daarnaast over relevante deskundigheid beschikken. Mensen als tech-expert Bert Hubert, hoogleraar Computer Science Education Felienne Hermans en internetpionier en bestuurder van De Waag Futurelab Marleen Stikker kunnen inhoudelijk gewicht in de schaal leggen bij het besluitvormingsproces. Dat geldt ook voor de stichting Privacy First, die al jaren het recht op privacy bevordert en onderzoekt.

Met betrekking tot DigiD doen zich ook nu al privacy-issues voor. We weten dat Solvinity toegang tot de privacygevoelige data van de overheid kan krijgen. Zo bleek onlangs tijdens het kort geding van drie burgers tegen de staat. Afgelopen donderdag publiceerde de rechtbank Den Haag het vonnis in deze zaak, die door de drie burgers werd verloren. ‘Er zijn risico’s’, beaamde de staat.

Zijspoor

De advocaten Irene van der Heijden en Bob Jaasma van het kantoor Pels Rijcken zetten namens de minister de hakken diep in het zand. Hoewel het pleidooi van de landsadvocaat begon met sussende woorden over het begrip dat de minister zou hebben voor de zorgen van burgers over privacyschendingen, bleek uit het vervolg van de zitting juist het tegendeel.

In het pleidooi zette de landsadvocaat de werkwijze van de overheid uiteen. Via drie sporen worden de risico’s van de overname in kaart gebracht. Het eerste spoor loopt via de interdepartementale Taskforce Economische Veiligheid onder leiding van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV).

Dat klinkt serieus en we zouden heel graag willen weten wat de NCTV over de waanzin en de willekeur van de Amerikaanse regeringsleider te zeggen heeft, maar dat blijft natuurlijk geheim. Daarvoor hebben we alle begrip.

Het wordt anders in het tweede spoor, wanneer de staat ‘als klant’ met Solvinity en Kyndryl spreekt ‘over het treffen van technische, organisatorische en juridische maatregelen’ die gericht zijn op het beperken van de risico’s. De aanname dat die risico’s te beperken zijn, stelt bepaald niet gerust. Zogenoemde mitigerende maatregelen hebben namelijk geen enkele zin: zodra Solvinity in handen is van een Amerikaanse onderneming, komt het bedrijf immers binnen het bereik van de Amerikaanse regering. Die krijgt daarmee een nieuwe killswitch op haar schakelbord, en kan data van Nederlandse burgers opvragen. Daar valt technisch, organisatorisch en juridisch niets aan te doen.

De gesprekken met Solvinity en Kyndryl vinden achter gesloten deuren plaats en over de inhoud ervan wordt niet gecommuniceerd. Via de de Wet Open Overheid (WOO) is inzage in theorie mogelijk, maar in deze zaak zal de overheid niet aarzelen om alle communicatie als ‘bedrijfsgevoelig’ aan te merken.

De overheid zou de Nederlandse burger een dienst bewijzen als ze haar gevoeligheid voor burgerrechten zou uiten door onze belanghebbendheid te erkennen en het derde spoor – het onderzoek dat BTI verricht – open te stellen voor onze zienswijzen, zodat we die voorafgaand aan het besluit kenbaar kunnen maken.

Dat zou het vierde spoor kunnen zijn, maar daar peinst de minister niet over. Het enige spoor dat Herbert voor onze groep in gebruik wil nemen, is een zijspoor. Hoewel ze betoogt dat het onderzoek ‘diepgaand’ en ‘zorgvuldig’ wordt verricht, staat ze niemand toe om dat te controleren. Ook staat ze ons niet toe om voor het ‘definitieve besluit’ een zienswijze te geven. Ze wil ook niets zeggen over onze belanghebbendheid; we zullen ‘de uitkomsten van het onderzoek en de besluitvorming moeten afwachten’.

De minister lijkt de Nederlandse burger voor een fait accompli te willen stellen. Als we het straks oneens zijn met het besluit, dan kunnen we daar bezwaar tegen aantekenen. Maar dan is het te laat, want het is vrijwel onmogelijk om de verkoop van een bedrijf terug te draaien.

De rechter toonde begrip voor het feit dat de minister niet op ons verzoek is ingegaan om een verbod op te leggen en eerlijk is eerlijk: daarvoor valt binnen de context van deze spoedeisende procedure ook iets te zeggen. Daarom waren we ook bereid om die eis te laten vallen, op voorwaarde dat we als belanghebbenden worden gekend en onze zienswijze kunnen aanleveren.

De landsadvocaat week echter geen millimeter en zeker waar het onze belanghebbendheid betreft, leek de rechter de halsstarrige weigering van de minister niet te begrijpen.

We moeten er nu van uitgaan dat minister Heleen Herbert de overname van Solvinity zal goedkeuren. Onze regering vreest de toorn van man in het Witte Huis, en lijkt daarom bereid de rechten van Nederlandse burgers uit te leveren. Dat besluit zal een schandvlek van historische proporties opleveren waartegen we ons fel zullen verzetten.

De rechter doet uiterlijk maandag 1 juni uitspraak, en dan hoort u snel weer van me.


Eric Smit